Uitgeverij W.v.d Oever
Lange Brugstraat 9 4871 Cl Etten-Leur 076-5015160 wvdoever@gmail.comEen vierde uitgebreide reactie komt van Gerben Wielenga, docent levensbeschouwing in ruste, maar attent genoeg om zijn ervaringen uit het verleden te delen met de mensen die morgen ook nog lesgeven:
Aan vrije klassikale discussies bewaar ik de mooiste herinneringen. Ook heel treurige trouwens. Beoordelingscijfers voor mondelinge bijdragen heb ik wel gegeven. Maar ik ben daar ook weer mee gestopt. Leerlingen die een bijdrage aan de discussie leverden, kregen een beurtcijfer (telt 1x mee, een proefwerk 2x en een repetitie 3x). Het kan ook als een bonus, bv een tiende punt bovenop een ander toetscijfer. Ik heb altijd gevonden, dat elke leerlingactiviteit beoordeelbaar is, per definitie, al doe je dat natuurlijk lang niet altijd. Het was inderdaad lastig om de juiste criteria te vinden en een transparante en zuivere schaal.
Maar ik voel nu nog mijn verontwaardiging, toen bleek, dat allerlei lamzakken die nooit leken mee te doen, ineens echt goede relevante bijdragen leverden, alleen maar voor een cijfer. Want, dacht ik, als je echt zo iets goeds te zeggen hebt, waarom zou je dat dan alleen doen, als je er een cijfer voor krijgt. Leerlingen die ik daarnaar vroeg, waren zeer stellig: alleen een mond open doen, als je er een punt mee kon verdienen. Toen ik dat probeerde te begrijpen, merkte ik, dat de fout bij mij lag. Ik gebruikte het cijfer als stimulans om mee te doen aan de door mij gewenste discussie. Maar dat is de omgekeerde wereld. Het is hetzelfde soort fout, die je maakt, als je nog gauw even een toets geeft omdat je de rapportcijfers moet inleveren. Je moet dus aan de andere kant beginnen. Een cijfer geef je voor een zorgvuldig geplande leerling activiteit op een bepaald gebied binnen een gesteld doel.
In de vraag die werd gesteld, is het uitgangspunt: levensbeschouwelijke dialoog, klassikale communicatie, vrije uitwisseling van ideeën, aan het denken gezet kunnen worden over het eigen levensbeschouwelijk verhaal. Bij de beoordeling van de bijdragen gaat het over de begaafdheid, de snelheid en de opmerkelijkheid van een reactie in die dialoog. Er zit best wel erg veel ruimte tussen die twee reeksen. De eerste vraag is dan: is een vrije klassikale discussie de meest geschikte vorm om de dialoog te leren voeren. Dat niet iedereen meedoet, mee wil doen, mee kan doen, is een aanwijzing dat hier wat hapert. De tweede vraag begint aan de andere kant: wat moet het karakter zijn van een geslaagde leerlingbijdrage aan de discussie? Mag het een spontane diepzinnige uiting zijn die niet echt ingaat op dat wat een ander net heeft gezegd. Mag het ook een simpele bevestiging zijn, dat je het met iemand eens bent? En hoe waardeer je een bijdrage van een leerling die de discussie opvat als een debat waarin er winnaars en verliezers zijn? Ik noem maar wat.
Voor vrije klassikale discussies heb ik altijd een zwak gehad. Voor een lesorganisatie waarin de leerlingen met maximale persoonlijke vrijheid beoordelenswaardige reacties geven niet minder. Om beide te verbinden — eigenlijk kan dat niet. Ik liet later die discussies wel spontaan opkomen, maar beperkte ze zo nodig tot een deel van het lesuur. En probeerde iets te organiseren om de dialoogvaardigheid te bevorderen. Een cijfer is dan altijd te geven, omdat je dat relateert aan de mate waarin je leerling het doel bereikt dat je nauwkeurig kunt bepalen.
Om voor iedereen een gelijke mogelijkheid te scheppen in de klas mee te doen aan de discussie over de lesstof, gaf ik voor de lesvoorbereiding een geringe bonus. Dus puur voor het feit en voor de inzet, voorzover direct waarneembaar aan het begin van de les. Die lesstof bestond vaak uit andere dan betogende of beschrijvende teksten. Er waren zo altijd genoeg mensen die ik kon uitnodigen om mee te doen en de mensen die zich niet voorbereid hadden, zijn toch meestal al de mensen die wat durven te zeggen.
Bij de beoordeling van een bijdrage maakte ik strikt onderscheid tussen een zakelijk en een persoonlijk element. Bij schriftelijk werk splitste ik die duidelijk in een a-, b- en c- vraag. De mening op zich is vrij (a). Maar als die aantoonbaar niet klopt met de feiten, is die toerekenbaar onjuist (b). Ook is het toerekenbaar als de mening aantoonbaar inconsistent of onoprecht is (c). Het is dan wel nodig van te voren dat goed met de ll door te spreken. Het gaat er immers niet om, dat ze een mening hebben, uitspreken of aanhoren, maar dat ze die vormen en er geordend over nadenken en die kunnen verantwoorden. Natuurlijk niet altijd elke keer. Maar wel als verantwoorde onderwijsactiviteit.
Ik liet leerlingen ook wel korte spreekbeurtjes van maximaal twee of drie minuten houden, waarin ze verband legden tussen iets wat ze persoonlijk belangrijk vonden en godsdienst (dat verband mocht ook negatief zijn). De regels waaraan ze moesten voldoen, waren strikt voorgeschreven en goed beoordeelbaar. Maar wel zo open, dat bijna geen presentatie gelijk was aan de andere. Er volgde vaak een korte soms indringende discussie.