leerlingen
Inloggen | Registreer als lid

Uitgeverij W.v.d Oever

Lange Brugstraat 9

4871 Cl Etten-Leur

076-5015160

wvdoever@gmail.com

Laatste bijdragen

Weblogs

Wiki's


Webstekstatistiek

This page has been viewed 100589 times
Totaal aantal bijdragen: 365
Total aantal leden: 415
Totaal ingelogde leden: 0
Totaal gasten: 13
Total anonieme gebruikers: 0

Aandachtsgebieden

Ton van Haperen

In Trouw van zaterdag 1 december jl. stond een groot artikel over het Nederlandse onderwijs van de hand van Ton van Haperen, auteur van het pas verschenen ‘De ondergang van de Nederlandse leraar. Aan het eind van zijn artikel zet hij zijn ideeën over de inrichting van het Nederlandse onderwijs op een rijtje en heeft het daarin ook over ons vak levensbeschouwing. Ik geef het citaat: ” Ga uit van het bestaande en maak het verder niet al te ingewikkeld. Kies voor een helder stelsel met vier schooltypen, breek de schotten daartussen af en stimuleer promotie naar een hoger niveau. Houd zoveel mogelijk kinderen zo lang mogelijk in de algemene vorming, leg de inhoud per niveau vast in standaarden, verdeel die over een beperkt aantal vakken en toets met enige regelmaat centraal of ze er wat van opsteken. Reduceer de inhoud en creëer ruimte voor leren. Niet alle kinderen hoeven les te krijgen in Frans en Duits. Deze talen zijn uit onze samenleving verbannen, het begin van leren ontbreekt. Wel iets opsteken bij een van de twee vreemde talen, of alleen bij Engels, geniet de voorkeur.

Neem dat studiehuis als voorbeeld. Wat is echt nodig? Kennis en vaardigheid in Nederlands, Engels, geschiedenis en wiskunde. Taal, verleden en cijfers zijn de sporen waarlangs we communiceren. En verder? Twee vakken vanuit de kwaliteit van de leerling die richting geven aan de keuze voor het vervolgonderwijs.

Deze zes vakken verdienen diepgaande nationale standaarden, alleen landelijk geëxamineerd met een vooraf vastgelegde norm. De rest, alles tussen levensbeschouwing en algemene kunstkennis zijn geen vakken, maar interessegebieden binnen Nederlands, Engels en geschiedenis. Wat scholen daarmee willen, moeten ze zelf maar weten. Leerlingen hebben vijf of zes lessen per dag en gaan om half drie naar huis. Daar kunnen ze studiethuizen en verder vanuit hun eigen interesse buitenschools leren.

Snoeien dus, het dode hout moet eruit. Minder vakken geeft de leraar de tijd kinderen iets met de verworven kennis te laten doen, in plaats van hijgerig de te beheersen stof een keer vertellen, enkel en alleen om over die drempel van het diploma heen te komen. Op een evenwichtige wijze omgaan met instructie en constructie, van daaruit aanzetten tot het productief aanwenden van kennis in verschillende omgevingen, onder toezicht van een deskundige inspectie, zo loopt de weg naar reële modernisering. Binnen heldere randvoorwaarden kunnen leraren dan zelf werken aan een nieuw samenhangend nationaal beeld van excellent onderwijs. Misschien winnen ze dan eindelijk hun zelfrespect terug.”

Ton van Haperen is leraar aan het Rythovius College in Eersel en lerarenopleider aan de Universiteit Leiden. Van hem verscheen onlangs ’De ondergang van de Nederlandse leraar’ (Nieuw Amsterdam, ISBN 9789046803226, euro 18,95).
[LIA 106]