Uitgeverij W.v.d Oever
Lange Brugstraat 9 4871 Cl Etten-Leur 076-5015160 wvdoever@gmail.comNa het verschijnen van het artikel in LIA 156 over het werken met het Cornell aantekensysteem om leerlingen zelfstandig aan het werk te zetten reageerde collega Hannie Hoefnagels, werkzaam op het Maaslandcollege te Oss met de volgende uitgebreide opmerking:
“Ik herken jouw waarneming dat leerlingen niet/nauwelijks aantekeningen maken. Sterker nog: het meenemen van pen en papier naar school is tegenwoordig lang niet altijd vanzelfsprekend meer.
Ikzelf stuur ppt’s niet meteen door naar leerlingen, plaats ppt’s ook niet meteen op de website van school en maak ook niet meteen een handout voor leerlingen. Ik wil namelijk dat leerlingen zelf aantekeningen maken en dat is dan niet het rechtstreeks overpennen van de info in de ppt. dit gaat altijd onder het mom van ” je leert/ervaart op verschillende manieren en tekst die al een keer schrijvend door je hand en je hoofd is gegaan, blijft beter hangen. Dit is ook de reden waarom ik van leerlingen vraag om een samenvatting te maken van te bestuderen teksten. Daarbij heb ik moeite met leermethodes die blokken met samenvattingen in de kantlijn plaatsen. Want wat doen dan de meeste leerlingen: de blokken uit de kantlijn overpennen. Ik zie dat, bij controle, meteen en dan moet er alsnog arbeid verricht worden. Bovendien bevatten de blokken lang niet altijd alle informatie waarvan je wilt dat de leerlingen zich deze eigen maken.
Een ander bezwaar mijnerzijds tegen veel methodes: werkboeken. Ik heb zelf nog een kinderen op de middelbare school en het gebruik van werkboeken leert kinderen absoluut af om in volledige, nette zinnen een antwoord te formuleren. Er is simpelweg veel te weinig ruimte om het antwoord op te schrijven. Gevolg is slordig werk, bestaand uit een enkel steekwoord. Niet bevorderlijk voor zaakvakken, noch voor levensbeschouwing om te leren om je gedachten fatsoenlijk op papier te zetten.
Wij hanteren in onze lessen ook een zgn. levensvisieboek waarbij we leerlingen ‘dwingen’ om in de flow van het schrijven te komen. We hebben lessen van 60 minuten en daarin kan dat prima. Voor ons veel leeswerk, maar wel van grote waarde. We hanteren daarbij het model van de drie B’s: beschrijven, beschouwen, betekenen.
Dit werkt als volgt: we stellen leerlingen een vraag. Bijvoorbeeld: wanneer was je je voor het eerst bewust dat je een sterfelijk wezen bent. Dan gaan leerlingen eerst gewoon beschrijven, daarna vragen we ze om hun tekst over te lezen. Bij dat overlezen komen ze mogelijke discrepanties op het spoor, of gedachtensprongen, of voor henzelf ook opvallende feiten. En dan start voor hen de laatste fase, de fase van de reflectie, het betekenis geven aan de feitelijke informatie. Waarom die gedachtensprong, waarom heb ik déze feiten opgeschreven en niet andere, hoe komt er dat er een discrepantie zit in mijn verhaal? etc.
Deze manier werkt heel aardig. Het is een manier om leerlingen te leren reflecteren. We verwachten vaak dat ze dat vanzelf wel kunnen, maar dat valt tegen.
Deze methodiek gebruik ikzelf als mentor ook om op de leerlingen te laten laten nadenken over hun studieresultaten en/of studiehouding.
Het levensvisieboek is in ieder geval in havo 4 een opmaat voor het levensverhaal dat ze in havo 5 schrijven. In vwo 5 schrijven ze ook het levensverhaal. Het is de, door leerlingen en door ons, meest gewaardeerde opdracht. Zo zeer gewaardeerd dat we nu het aantal bladzijdes dat ze bij ons aanleveren beperken. In beschrijven zijn leerlingen vaak heel goed, maar ook heel uitgebreid omdat het op jonge leeftijd vaak lijkt alsof elk detail heel belangrijk is/was bij een bepaalde ervaring. Het reflecteren, maar ook het waarderen, het duiden, blijft, ondanks het oefenen volgens het model van de drie B’s, lastig.”