Het kwaad 2

Lesverslag vrijdag 12 december, Evelien Slaats, H5a
We begonnen de les met vragen over de dood:

1. Wat houdt rouwen in?
2. Wat is een goed rouwproces?
3. In hoeverre ga ik met het rouwproces van een vriend mee?
4. Welke invloed heeft het overlijden op de nabestaanden?
5. Wat betekend de dood van de naaste voor je?

Daarna bespraken we de vragen op bladzijde 37 in het boekje.
Vraag 4. Ongeveer de helft van de klas.
Vraag 5. Twee. Robin: Het is alsof iemand gaat slapen. Niet akelig, gewoon.
Vraag 6. Mike: Raar. Ze leken nog op de mensen die ze waren.
Ravenna: Het leek of zijn ziel er uit was. Tegenstelling. Geen spijt.
Kris: Wel spijt. Beeld werd vervaagd. Confronterend. Gezicht vergeten. Had het misschien wel geweten wanneer hij niet was gegaan.
Robin: Bij een wel spijt bij de ander niet. Bij een auto-ongeluk is het natuurlijk veel anders dan wanneer iemand er heel vredig bij ligt.
Eva: Niet gegaan.
Vraag 7: Paulieke: Een hele leuke begrafenis. Het was echt een feest. Euthanasie. Het kan goed zijn, het was vredig, een mooie afsluiting.
Evelien: Kon er niet om huilen. Toen de kist in de grond ging begon het huilen. Dan realiseer je pas dat het echt over is. Groot verschil tussen een crematie en begrafenis. Voorkeur voor begraven.
Kris: heeft een andere crematie meegemaakt dan Evelien. Veel mooier aangekleed.
Vraag 8: Ongeveer de helft denkt er soms aan. 8 best vaak. Twee mensen hebben een onverschillig gevoel over de dood. Zeven mensen hebben een angstig gevoel. Negen mensen denken ‘godver’ bij de dood. Tien voelen er berusting bij.
Vraag 10: De meeste mensen willen herinnerd worden door hun persoonlijkheid.
vraag 11: Zes mensen met vrienden om hun heen. Best veel op een plotselinge en niet gewelddadige dood.
Vraag 12: Tien mensen uitgebreide begrafenis. Een in alle stilte. Zeven zoals mijn nabestaanden het willen. Vraag: mag je over je dood heen regeren? Robin vind dat het niet veel uit maakt wat er met hem gebeurd na zijn dood. Kris wel, hij wil zelf beslissen wat er met zijn lichaam gebeurd.
Zes mensen vinden het niet erg als er in hun lichaam gesneden gaat worden, ze willen best donor zijn.
vraag 13: Acht mensen geloven in iets na de dood. Negen mensen geloven dat de dood het definitieve einde is van het leven. Niemand dat alleen goede mensen verder leven na de dood. Evelien gelooft dat we volmaakt en eeuwig gelukkig bij God zijn.


Relatie, leven en dood

1. Wat is de relatie tussen leven en dood? (ballade)
Leven kan niet zonder de dood, er zou overbevolking komen.
Een eeuwig leven maakt het leven bovendien behoorlijk saai.
Is het eeuwige leven mogelijk op deze aarde?  Is het beter om sterfelijk te zijn? Als wij onsterfelijk zouden zijn is het met de seks gedaan?

2. Niemand weet hoe laat het is – Youp van ’t Hek
Leef elke dag alsof het je laatste uur is.
De angst voor de dood stimuleert hem tot het uiterste te leven.
Als we die angst niet zouden hebben zouden we later spijt krijgen van dingen die we niet hebben gedaan. Angst voor de dood is de motor van het leven.

Hoe ik er over denk: Ik ben het vooral eens met het laatste zinnetje ‘angst voor de dood is de motor van het leven’. Doordat je weet dat je dood gaat ga je dingen doen die je echt leuk vind en krijg je denk ik ook een soort doel in je leven. Ik ben niet bang voor de dood. Het hoort er gewoon bij, maar natuurlijk hoop ik wel dat de dood heel laat komt.
Ik wil het liefste begraven worden en ‘heel’ de grond in gaan. Ik wil liever dat er niet in mij word gesneden. Misschien is er helemaal niets na de dood maar het idee dat ik er mooi en vredig bij lig in mijn kist geeft me een beter gevoel dan dat ik helemaal geruïneerd ben. Waar en met welke mensen ik dood ga maakt me niet zo heel veel uit als ik maar vredig sterf. Niet door een ongeluk of hartinfarct.


Lesverslag woensdag 18 november, Steven van der Schoot, V5b

We hebben deze les alleen gekeken naar een documentaire, the truth about violence, die over agressie en geweld ging. Hierin proberen ze te achterhalen wat mensen drijft tot geweld.
In het begin word iemand die normaal nooit agressief is en geweld sterk afkeurt naar een dorp, waar op dat moment de Tinku gevierd word, gebracht. De Tinku is een oogstfeest waarbij veel gevochten word. De bedoeling is dan dat iemand een ander van de zelfde leeftijd uitdaagt om te gaan vechten. Niet alleen mannen, maar ook vrouwen en kinderen doen daar aan mee.
Hij moet uiteindelijk ook zelf een gevecht aangaan met iemand uit het dorp. aan het eind van het gevecht zegt hij dat hij het niet leuk vond om te doen, maar dat het toch wel een goed gevoel gaf toen de ander neer ging.
Volgens de begeleidster van het experiment, komt dat fijne gevoel voort onze uit aangeboren agressie. Door agressie vormt je lichaam dopamine wat een fijn gevoel oplevert. Sommige mensen kunnen zelfs verslaaft worden aan dopamine, die worden dan extreem gewelddadig.
Waarom de proefpersoon het vechten zelf niet leuk vond, komt omdat hem is aangeleerd impulsen te kunnen negeren. Kinderen kunnen vanaf 3 jaar oud hun brein zo ontwikkelen dat ze in staat zijn om prikkels (zoals agressie) te negeren. Hierdoor hebben ze wel de aangeboren agressie in zich, maar zijn ze niet meer gewelddadig.
De barrière die een agressie prikkel moet passeren, kan door verschillende factoren verkleint worden. Bijvoorbeeld door een auto ongeluk of door slaapgebrek. Ook dit word getest door de proefpersoon en dat wijst inderdaad uit dat slaapgebrek de proefpersoon gewelddadiger maakte.
Verder werd er nog wat verteld over het Milgram-experiment, maar dat hebben we niet af kunnen kijken want toen ging de bel.


Lesverslag dinsdag 7 oktober, Nathasja Verwoerdt

We begonnen ze les met een schema over het kwaad.
                             
                              KWAAD                 - Grote tegenspeler
                                                        - Niet te verslaan
Kan het kwaad verlost worden;                  - Kwaad; goed; kwaad
Is het ergens goed voor?

Daarna ging het over Mani en Pelagius, dit zijn hun kenmerken:

Mani                                        
- Duivel
- Dualisme: rijk van het goed en rijk van het  
  kwaad
- Schepping is in gevecht tussen goed en kwaad
- Erfzonde: de mens heeft het kwaad in zich voor
  hij het doet
- Kwaad wordt niet verlost
- Alleen Gods genade kan je verlossen

Pelagius
- De mens kan heil op eigen kracht verwerven
- Kwaad is toeval of een bijverschijnsel
- Kwaad zit niet in de natuur van de mens en is
  dus ook geen erfzonde
- Optimistisch: kwaad is aan het eind ook verlost


Na Mani en Pelagius gingen we artikel 3.2 lezen, dat ging over een Portugese schrijver genaamd José Saramago die een evangelie had geschreven. Het ging over God en de duivel, goed en kwaad.
Het belangrijkste stuk in het verhaal als Jezus 40 dagen vast. Hij stapt in een bootje en roeit in een dichte mist waar in het midden een lichtende plek is. Daar ziet hij God die hem duidelijk maakt dat Jezus zijn zoon is. Daarna komt de herder aangezwommen waar Jezus 4 jaar mee heeft opgetrokken, hij blijkt de duivel te zijn. God heeft een opdracht voor Jezus, hij krijgt de rol van martelaar en moet zo de leer van het geloof verspreiden. Dan doet de duivel een voorstel aan god: “Mijn voorstel is dat je me weer opneemt in de hemel waarbij het kwaad dat ik in het verleden begaan heb, vergeven wordt door het kwaad wat ik in de toekomst niet zal begaan, dat je mijn gehoorzaamheid aanvaardt en behoedt, net zoals in gelukkiger tijden dat ik een van je uitverkoren engelen was.”
God neemt het voorstel niet aan met de reden dat “het goede dat ik ben niet zou bestaan zonder het kwaad dat jij bent” en daardoor houdt het kwaad niet op en zal Jezus wel sterven.


Volgens Carlijn stond het artikel duidelijk voor Manicheïsme en dat klopte.

Daarna werd er gevraagd welke twee levensbeschouwelijke vragen in de tekst naar voren kwamen. Voor de eerste vraag kwam er al een behoorlijke discussie op gang die eigenlijk wel tot in het oneindige door kon gaan. De vraag was:

“Heeft het goede het kwaad nodig om te blijven bestaan?”

Waarop Carlijn zei: “Als het kwaad wegvalt dan kan je het goede nergens meer mee vergelijken”.
Willemijn vindt dat “je niet een tegenovergestelde nodig hebt om iets te hebben”.

De docent zei daarop: “Heb je ongeluk nodig om gelukkig te zijn?”

Daaruit volgden eigenlijk weer dezelfde argumenten:

Rob en Carlijn waren het eens over dat “Je denkt gelukkig te zijn omdat je weet dat er ongeluk is”

Omar zei nog: “Als het altijd slechter kan ben je altijd gelukkig” om dat argument te weerleggen.

Eigenlijk was het gewoon een oneindigende discussie met aan de ene kant:
Je hebt kwaad nodig om te weten wat goed is
En aan de andere kant:
Je hebt geen tegenovergestelde nodig om zeker van iets te zijn.

Eigenlijk ging het dus om de functie van het kwaad ten opzichte van het goede.

Aan de tweede levensbeschouwelijke vraag zijn we niet meer toe gekomen.

 


Lesverslag vrijdag 9 oktober. Fleur Pieters

De 1e helft van de les ging over blz 7 uit het blauwe boekje, 3.1. Meneer Mathijssen heeft het verschil tussen Mani en Pelagius uitgelegd. Hier is een korte samenvatting:
Mani: Men gelooft dat je niet alles in je eentje aankan, en er zijn 2 verschillende rijken. Het goede en het slechte rijk. De schepping is een strijdtoneel. En er is geloof in de erfzonde. (Dat je het kwaad al in je hebt vanaf je geboorte.)Het kwaad zit dus in de natuur van de mens. Het is een beetje de pessimistische stroming.
Pelagius: Men gelooft dat je wel alles zelf kan bereiken, en het kwaad is toeval. Het is een bijproduct. Men denkt dat het goede al en kwaad zal wegpoetsen. Er is geen erfzonde, en kwaad zit dus niet in de natuur van de mens.
De 2 stromingen zijn dus niet te combineren.

De 2e helft van de les ging over 3.2. Steffi, Houda, Manon en Tania hadden dit stukje gelezen en moesten de levensbeschouwelijke vraag hierbij stellen. Hier eerst een stukje samenvatting van de tekst: Het ging over het evangelie van Saramago. God en de duivel zijn tweelingbroers. De duivel wil een afspraak maken met God, die ervoor zou zorgen dat de duivel op zou houden met kwaad doen, en er dus alleen nog maar ‘‘het goede’’ zou bestaan. Maar God denkt dat het goede niet bestaat zonder het kwaad, en zegt nee. Oftewel: God is het kwaad geworden. Dit zijn de 2 vragen die eruit kwamen:
1. Heeft het goede het kwaad nodig om te bestaan?
2. Hoe rijm je het geloof in een goede God met het bestaan van het kwaad?

Joella: Goed kan kwaad worden, dus het heeft elkaar nodig.
Houda en Islam: Goed en kwaad is van elkaar afhankelijk. Zonder het kwaad is er geen goed en andersom.
Mr. Mathijssen: Je hebt de tegenstelling dus nodig??

De vragen bleven onbeantwoord, want de les was nu al afgelopen, maar aan het eind leek het merendeel van de klas erover eens te zijn dat het kwaad en het goede elkaar nodig hebben.

 

Donderdag 15 Oktober –  V5A – Jilly Voesenek

De les begon met een korte samenvatting van de vorige les waar de volgende levensbeschouwelijke vragen uit waren gekomen:
-  Heeft het goede het kwade nodig om te kunnen bestaan?
-  Hoe rijm je het geloof in een goede god met het bestaan van het kwaad?
Meneer Mathijssen was zeer geïnspireerd over de opmerking van Kevin waarin Kevin zei dat het kwade geen nut heeft maar wel zin dat hij deze opmerking ook nog even op het bord erbij schreef. Verder hoopte hij dat Kevin de rest van les niet meer met moeilijke opmerkingen zou komen.

Vervolgens mochten Jeffrey, Fenna, Laura en Marit voorin de klas gaan zitten om hun hoofdstuk te behandelen. Jeffrey vatte het grootste deel van het verhaal samen. Het hoofdstuk ging over een joodse man in een concentratiekamp, die daar verkracht werd door een andere man. In het kamp deed hij er alles aan om te overleven, zelfs ten koste van de levens van anderen, in één woord het survivelmoraal genoemd door meneer Mathijssen. Fenna kwam met de opmerking uit het hoofdstuk: ‘Eten of gegeten worden’, waarop Marit reageerde: ‘Zelf zou ik niet gedaan hebben wat hij heeft gedaan, maar ik kan wel begrijpen waarom hij het gedaan heeft’. Zelf vind ik niet dat je kan zeggen dat je niet zou doen wat hij zou doen. Ik denk dat je dat pas echt weet wanneer je zelf zoiets meemaakt en dat iedereen heel ver zou gaan om zijn eigen leven te beschermen, ook al is dit dan ten koste van anderen.

Na enkele opmerkingen uit de klas kwam de volgende levensbeschouwelijke vraag naar boven:
-  Mag ik de survivelmoraal gebruiken om te blijven leven?
Na een verdere discussie in de klas kwam meneer Mathijssen met de conclusie dat het survivelmoraal situatiegebonden is. Hier was iedereen over het algemeen wel mee eens. Hierna ontstond de discussie over of je kunt beslissen over de dood van iemand anders. Meneer Mathijssen vond van niet waardoor Kevin de vraag aan hem stelde: ‘Als er iemand dood moest wie zou u dan kiezen, uw dochter of een of andere zwerver?’ Hierop wist meneer Mathijssen niets te zeggen waardoor Kevin gelijk had en de discussie won.

Tenslotte kwam Renée nog met de opmerking: ‘Kwaad kan je niet negeren omdat je dan het goede ook negeert.’ Hier had iedereen weer een andere mening over. Wat mij het meeste opviel in de les is dat iedereen toch wel een andere kijk op het kwaad heeft, maar over één iets wel eens is: het goede kan niet voortbestaan zonder het kwade. Alleen meneer Mathijssen is het er niet mee eens, maar volgens mij doet hij dat meer om een discussie op te roepen dan dat hij daar zelf helemaal achter zijn stelling staat!


Vrijdag 16 oktober H5a Mike Vissers.

Deze week was ik aan de beurt om het lesverslag te maken.
We zijn bezig met hoofdstuk drie en iedereen moest 1 van de teksten voorbeiden. We waren in groepjes van 4 of 5 omdat er maar 6 teksten waren. Omstebeurt moesten we voor de klas komen om ons verhaal te doen, behalve ik want ik was de secretaris. We zijn niet aan alle teksten toegekomen maar tot en met 3.5

 

Een tweetal vragen die in het begin van de les naar voren kwamen zijn:
1. Kan het goede bestaan zonder het kwaad?
2. Hoe rijm je het geloof in een goede God met het bestaan van het kwaad?
Daarna gingen we verder over Frister.
Frister was een jood, hij bevrijdde zijn grootouders uit de ghetto.
Zelf was hij een concentratiekampgevangene. Iedereen in het concentratiekamp had een pet. Als je je pet kwijt was dan was je de pineut want dan werd je neergeschoten. Frister komt er achter dat zijn pet weg is en steelt van iemand anders een pet zodat hij niet dood gaat. De vraag die hier naar voren kwam was: Mag ik de survivalmoraal gebruiken om in leven te blijven?
Het merendeel van de klas was het hier mee eens, ikzelf ook. Beter iemand anders dood dan dat jij dood moet.

Leszek Kolakowski kwam in deze les ook naar voren. Hij was een poolse filosoof en oorspronkelijk een communist.
Hij ontdekte dat het marxisme, zoals dat beleefd en uitgewerkt werd in de Oost-Europese landen een dictoriaal systeem opleverde. Later werd hij anti-marxist.
Hij is een voorstander van het paradijsverhaal. Volgens hem kun je het kwaad niet uitroeien als je het niet serieus neemt. Ook is het kwaad volgens hem een menselijke fout. Met de 2e stelling was iedereen van de klas het eigenlijk wel eens. Je kunt als mens je keuzes maken en je weet zelf of het goed of kwaad is waarmee je bezig bent.
De truc van de duivel is: Hij laat de mens denken dat hij niet bestaat.
Vragen bij Kolakowski:
1. Is het kwaad uit te roeien?
Volgens Kolakowski is het kwaad niet uit te roeien.
2. Leidt Godgevoel automatisch tot kwaad?
3. Kun je in jezelf een fundament voor goed en kwaad vinden?
4. Kan het goede willen tot het kwade leiden?

REBECCA MULLER

Lesverslag 16 oktober ’09

José Saramago 3.2
1.  Heeft het goede, kwaad nodig om te kunnen bestaan?
2.  Hoe rijm je het geloof in een goede God met het bestaan van kwaad?

Deze vraag is moeilijk te beantwoorden voor mensen die geloven in een God. Een voorbeeld is het kwaad in de zin van het sterven van een dierbare.
9:55 uur: Meneer wordt weggeroepen door Margriet.

Het kwaad heeft het goede nodig, net als de tegenstelling tussen man en vrouw.
Hier wordt verder niet op ingegaan door de klas.

Roman Frister 3.3
Na enige verwarring komen Ruby& Islam voor de klas. Het verhaal dat zij gelezen hebben gaat over Frister en hij is een joodse tiener tijdens WO2. Hij is pools en het gaat erover, hoe hij het kamp overleeft. Zijn vader is een advocaat. Van zijn vader moet Frister blijven zoals hij was voor hij in het kamp kwam en zich niet overgeven aan het overlevingsinstinct. Hij mag niet ten kosten van anderen het kamp overleven. Frister is ook een atheïst.
Ruby & Islam: “Het kwaad helpt hem de oorlog te overleven”
Ruby & Islam vinden beiden dat hij tot Polarius hoort en de levensbeschouwelijke vraag die erbij hoort is; “Mag ik ten kosten van anderen er alles aan doen om zelf te overleven? –ook wel het survivalmoraal-
Manon: Vader zei toch juist dat hij géén survivalmoraal moest hanteren?
Ruby: Nee, maar dat deed Frister onderbewust. Hij is er niet bewust mee bezig om te overleven.
Dan denk ik: Hoe kun je nu niet bewust bezig zijn met overleven? Je WILT toch overleven? Dat wil je toch vanuit je eigen? Dat gebeurt niet zomaar, daar moet je voor werken en dingen voor over hebben, helemaal in zo’n kamp.
De conclusie die bij dit verhaal hoort: Jood krijgt brood van SS-er, neemt het aan en doordat hij brood in zijn mond heeft, kan hij niet schreeuwen wanneer hij wordt doodgeschoten.
De survivalmoraal van Frister heeft te maken met het voorval van de verkrachting waarbij hij een pet van iemand anders afpakt (die hij niet kent) waardoor er iemand zonder pet zit. Zonder pet wordt je doodgeschoten en die dood heeft Frister op zijn naam.
3.  Gelden dezelfde normen en waarden in vrede als in tijd van oorlog?
Ruby: Ik vind het geen kwaad, iedereen zou het in die situatie gedaan hebben. Hij had geen keuze en het is iets anders dan bij Sophie’s choice.
Manon: Hij had toch juist wel een keuze?
Ruby: Nee.
Hafsa: Frister mocht survivalmoraal hanteren maar niet ten kosten van anderen. Hij had net zo goed diegene zelf kunnen doorschieten.
Ik snap wat Hafsa bedoelt, maar ze verwoord het moeilijk. Een SS-er heeft de man zonder pet gedood maar eigenlijk was die man al dood, door de schuld van Frister. Hij had zijn pet immers afgepakt.
Meneer Mathijssen: Als we de survivalmoraal vertalen naar krediet crisis en iedereen uit deze klas zal het oneens zijn met doden.
Dit blijkt niet waar te zijn. Het wordt rumoerig in de klas en er klinken wel verschillende meningen;
Ruby: Met reden mag je ten kosten van anderen overleven. Sommige keuze’s zijn onverklaarbaar net als bij Sophie choice. Ze doen het met de goede bedoelingen.
Sterke uitspraak!
Hafsa: Oorlog of niet: je hebt het recht niet om iemand anders zijn leven te ontnemen, jij hebt diegene immers ook geen leven gegeven.

Er worden overeenkomsten geschetst tussen dieren en mensen. Maar dieren hebben geen gevoelens over goed & kwaad, ze doen alles instinctief.
Fleur: Er zit in ieder mens voor een bepaald niveau het overlevingsinstinct van dieren.
Meneer Mathijssen: Diegene die het survivalmoraal hanteert, heeft mensen nodig die geen survivalmoraal hanteren. Anders kan hij die survivalmoraal niet hanteren.
Kan dit niet gekoppeld worden aan de vraag; Heeft het goede, het kwaad nodig om te kunnen blijven bestaan? Met deze uitspraak lijkt het antwoord heel helder: Ja!

Steffi: De dood ontloop je.
Meneer Mathijssen: Maar tot welke prijs? Want als een uitgehongerde jood een kommetje soep voorgeschoteld krijgt, zal hij die misschien niet opeten omdat hij geen soep mag eten.
Steffi: (ze is het eens met het hanteren van Survivalmoraal. Iedereen probeert levens uit de oorlog te komen.
Meneer Mathijssen: De oorlog is pure pech. De nazi’s hebben gewonnen doordat Frister de survivalmoraal hanteert en dat is juist was de Nazi’s voor doel hadden.

Kolakowski 3.4
Seyma, Joella & Fleur.

Deze tekst is erg moeilijk en daarom worden er eerst enkele vragen
Gesteld. Na deze vragen begint het bespreken van de tekst.

Joella: De mens is zelf het kwaad. “Het enge van de mens is dat hij het kwaad niet serieus neemt” (deze zin haalt ze uit de tekst. )
10.40 uur; Willeke krijgt opdracht om powerpoint te maken.
Meneer Mathijssen: Je wordt als God als je eet van de boom, zegt de slang.

Het komt erop neer dat het misgaat als je de macht wil hebben over een sameleving.
Manon: Dus als je ergens boven wilt staan gaat het mis?
Meneer Mathijssen: Het lukt de mensen niet en het gevolg is dictatuur (kwaad!)

Enkele uitspraak uit de tekst van Kolakowski:
“Het kwaad zit in de mens”
“Mensen nemen het kwaad niet serieus”
“Het kwaad komt voort uit de machtshongerige mens”

Meneer Mathijssen: Als je het kwaad niet serieus neemt, pakt het je juist bij de strot.

4.  Moet je de werkelijkheid van het kwaad al dan niet serieus nemen?

De Moordenaar zit in ieder van ons.


Dik= Belangrijke harde uitspraak.
Onderstreept= Mijn visie en hoe ik erover denk.            Rebecca Muller.